Ik ben in de gele speeltuin. Zo geel als de zon. En zo rustig als water. Zo mooi als een bloeiende bloem.
Ik kijk rond in mijn kamer en zie de muren zo wit. Als de snorharen van de poes van mijn buurvrouw Hanna. Mijn bed is zo roze als de orchideeën in de bloemenwinkels en de Albert Heijn.
In de speeltuin op de schommel. Zag ik een wipwap. Zo schattig kinderachtig. Als een kinderdagverblijf.
Bij mijn vriendin in huis was het fijn en gezellig. Het huis was zo groot als een windmolen. Zo gezellig als een strand. Zo mooi als kerstlichtjes. Zo schoon als de lucht. En zo blauw als een beker.
Ik hou van voetbal. Je ziet me soms bij NEC. Met voetbalvelden zo groen. Alsof je in een tekenfilm bent. En ik zit op voetbal.
Ik woon in een mooi huis in Valkenhorst. In het huis is het mooi en chaotisch. Mijn broertje zegt steeds mag ik je joinen. Als een kat die miauwt.
Mijn sport is voetbal. Al die velden. Oefenvelden, normale velden, kunstgrasvelden, wedstrijdvelden. Zo mooi groen net als de natuur.
Dit is mijn kamer. Zo wit als een papiertje. Zo zacht als een wolk. Zo stil als een muis. Zo groot en schoon als de zee.
Mijn kamer was zo groot als het heelal. Het rook zo lekker alsof alles net was gewassen. Een bed zo hoog als een giraffe. Mijn kamer leek een jungle. Door alle knuffels van jungledieren.
Toen ik naar buiten liep in mijn achtertuin. Scheen de zon mij toe. Het licht leek van goud. Als een gouden ketting.